Vandaag in onze rubriek De stem van... is het de beurt aan Thijs Karsten!
Thijs is leerkracht op vso De Spinaker, onderdeel van Stichting Ronduit in Alkmaar. Op deze school voor voortgezet speciaal onderwijs is hij echter niet begonnen, want zijn carrière in het onderwijs startte als docent aardrijkskunde op een reguliere middelbare school. Van aardrijkskunde naar het vso, dat is nog wel een contrast!
Op die middelbare school was hij niet alleen docent aardrijkskunde, maar werd zijn takenpakket al gauw uitgebreid tot docent geschiedenis en schoolloopbaancoördinator. En toch de overstap gemaakt naar het vso. In een omgeving die meer lijkt op de manier van werken op de basisschool doceert hij opeens alle vakken: Nederlands, Engels, Duits, economie, biologie en zijn nieuwe favoriet wiskunde. Daarnaast is Thijs sinds kort vader (gefeliciteerd!), geniet hij van het nieuwe gezinsleven en blijft hij tussen het reizen door actief door te tennissen en voetballen.
Wij waren reuzebenieuwd naar De stem van... Thijs Karsten:
Jij hebt als leerkracht de overstap van de middelbare school naar het speciaal onderwijs gemaakt. Waarom heb je deze overstap gemaakt?
Ik was vooral toe aan een nieuwe uitdaging. In dezelfde periode ging ik verhuizen, waardoor mijn vorige werkplek opeens een stuk verder van huis kwam te liggen. Iedere dag lang in de file staan zag ik niet zitten. Dat was een praktische reden om verder te kijken, maar ik merkte ook dat ik behoefte had aan iets nieuws binnen het onderwijs.
Leerlingen die extra begeleiding en aandacht nodig hebben, hebben mij altijd gemotiveerd. Ik vind het interessant om te kijken wat een leerling nodig heeft en hoe je daar als docent op kunt inspelen. In het reguliere onderwijs kwam ik dat natuurlijk ook tegen, maar de mogelijkheid om daar binnen het speciaal onderwijs meer mee te werken sprak mij aan.
Toen de kans bij De Spinaker voorbijkwam, heb ik besloten die te grijpen. Ik wist vooraf niet precies wat ik kon verwachten, maar ik was vooral nieuwsgierig naar een andere kant van het onderwijs.
Achteraf ben ik blij dat ik die stap heb gezet. Het VSO vraagt op een andere manier iets van je als docent. Je kijkt veel meer naar de individuele leerling en moet soms andere doelen stellen dan je vooraf voor ogen had.
Voor docenten die toe zijn aan een nieuwe uitdaging zou ik de overstap naar het speciaal onderwijs zeker aanraden. Wel moet je je realiseren dat het werk intensief kan zijn. Je krijgt een andere relatie met leerlingen en dat vraagt ook meer van je als docent. Voor mij wegen de bijzondere band met leerlingen en het individuele karakter van het onderwijs daar ruimschoots tegenop.
Hoe bevalt het speciaal onderwijs je?
Het speciaal onderwijs bevalt mij erg goed. De band die je met leerlingen opbouwt, vind ik een van de mooiste aspecten van het werk. Vergeleken met het reguliere voortgezet onderwijs is dat een groot verschil. Het contact is intensiever en daardoor ontstaat er vaak een bijzondere relatie met leerlingen.
Die intensiteit heeft natuurlijk ook een keerzijde. Het werk kan behoorlijk intensief zijn, juist omdat je veel meer bezig bent met de individuele leerling en met wat die op dat moment nodig heeft.
Een ander groot verschil vind ik het doel van een les of schooldag. In het reguliere onderwijs werk je voornamelijk met klassikale doelen. Je wilt bijvoorbeeld dat een hele klas aan het einde van een les bepaalde kennis of vaardigheden beheerst. In het VSO is dat veel individueler. Wat voor de ene leerling een goed doel is, hoeft dat voor een andere leerling niet te zijn.
Ook geduld speelt een grotere rol. Ik ben van mezelf een geduldig persoon en misschien is dat ook een van de redenen waarom ik het werk zo leuk vind. Niet iedere leerling reageert hetzelfde en soms moet je eerst een stap terug doen voordat je weer verder kunt.
Wat ik mooi vind aan het VSO, is dat je niet alleen kijkt naar wat een leerling moet leren, maar ook naar wat die leerling nodig heeft om überhaupt tot leren te komen. Dat maakt het werk anders dan ik gewend was en past goed bij mij. Op dit moment zie ik daarom geen reden om terug te keren naar het reguliere onderwijs.

We zijn wel benieuwd hoe jij tegen de nieuwe wet Inclusief Onderwijs (2035) aankijkt. Zou je daar wat over kunnen vertellen?
Ik vind inclusief onderwijs een mooi streven, maar ik zie nog niet goed hoe het in de praktijk vormgegeven moet worden. Het idee dat leerlingen zoveel mogelijk samen onderwijs volgen, vind ik positief. Tegelijkertijd denk ik dat de praktische uitvoering een stuk ingewikkelder is dan het op papier lijkt.
Met de huidige klassengrootte lijkt het mij bijvoorbeeld lastig om leerlingen goed te begeleiden die juist veel baat hebben bij kleine klassen en extra aandacht. Je kunt een leerling wel in een reguliere klas plaatsen, maar daarmee zorg je niet automatisch voor een passende onderwijsplek.
Mijn grootste zorg is de uitval van leerlingen en het ontstaan van meer thuiszitters. Ik heb op het reguliere voortgezet onderwijs meerdere keren meegemaakt dat leerlingen niet goed binnen het reguliere onderwijs pasten, maar vervolgens ook niet naar het speciaal onderwijs konden omdat ze daar op papier niet voor in aanmerking kwamen. Daarmee komen leerlingen tussen wal en schip terecht.

Ook binnen het speciaal onderwijs komen leerlingen binnen die al lange tijd thuis hebben gezeten. Dat laat zien hoe groot de gevolgen kunnen zijn wanneer een passende plek niet op tijd wordt gevonden.
Daarnaast denk ik dat de overheid de invloed van de thuissituatie soms onderschat. Wat er thuis gebeurt, heeft veel invloed op hoe een leerling op school functioneert. Ik heb het idee dat daar in plannen soms te gemakkelijk overheen wordt gekeken.
Ik ben daarom niet tegen inclusief onderwijs, maar vind wel dat het belang van de individuele leerling voorop moet blijven staan. Als een leerling een kleine klas en extra begeleiding nodig heeft, moet die ondersteuning er ook daadwerkelijk zijn. Anders bestaat het risico dat een mooi streven in de praktijk juist voor problemen zorgt.
Leestip
Wat zou jij mensen die niet voor de klas staan (zoals wetenschappers, beleidsmakers of politici) willen meegeven over het onderwijs?
Op papier kan iets nog zo goed bedoeld zijn, maar wanneer je zelf voor de klas staat, merk je pas hoe ingewikkeld het beroep daadwerkelijk is.
Wat er naast het lesgeven allemaal van docenten wordt gevraagd, ervaar ik zelf als een behoorlijke berg aan werk. Je bent bezig met leerlingvolgsystemen, nakijken, voorbereiden, oudergesprekken, opvoedkundige taken en digitalisering. Van veel van die taken zie ik het nut ook wel in. Het probleem zit vooral in de optelsom.
Alles bij elkaar is het bijna een baan naast het lesgeven. Terwijl juist het lesgeven en het contact met leerlingen voor veel docenten de reden zijn geweest om voor dit beroep te kiezen.
Ik begrijp daardoor steeds beter waarom ook goede docenten uiteindelijk besluiten om het onderwijs te verlaten. Dat hoeft niet te betekenen dat ze het lesgeven of de leerlingen niet meer leuk vinden. Het kan ook betekenen dat de totale belasting van het beroep te groot wordt.
Mijn belangrijkste boodschap aan beleidsmakers en politici zou daarom zijn: kijk niet alleen naar wat op papier logisch lijkt, maar kijk ook naar de dagelijkse praktijk en haalbaarheid. Een nieuwe taak of verandering lijkt misschien op zichzelf klein, maar komt bovenop alles wat een docent al doet.
Ik denk dat het daarom goed zou zijn als mensen die beleid maken regelmatig echt op scholen komen en met docenten spreken. Niet alleen om te horen wat er goed gaat, maar vooral ook om te begrijpen waar de knelpunten zitten.
Uiteindelijk kunnen plannen nog zo goed bedoeld zijn, maar de docent moet ze in de praktijk uitvoeren. Die praktijk is vaak complexer dan je vooraf kunt bedenken. Daar zou bij het maken van onderwijsbeleid meer rekening mee mogen worden gehouden.
De schrijvers


